
Als mensen toch vlees blijven eten - en dat doen ze, elk jaar meer, in Nederland én vooral in opkomende economieën waarin steeds meer mensen eindelijk geld genoeg hebben om vlees te gaan eten - dan moet dat op een radicaal andere, milieuvriendelijker manier. Het alternatief, vegetarisch gaat eten, is nóg beter, maar dat vertikken de meeste mensen nu eenmaal.
Tijdens het schrijven van dat boek heb ik echter geen varken in het echt gezien. Dat was wel een omissie.
Dus toen de Peergroup vroeg om 24 uur te gaan zorgen voor vier bonte Bentheimers en daar vervolgens verslag van te doen, was ik enthousiast. Dat leven met die varkens, daar zag ik wel tegenop. Eigenlijk vind ik dieren maar stom. Ik ben er zelfs een beetje bang voor. Na die 24 uur een essaytje erover schrijven, dat leek me het leukst.
Dus reed ik naar Coevorden, waar op de grens tussen Nederland en Duitsland, twee zeecontainers op elkar in een weiland staan. De P.A.I.R (= portable artist in residence) biedt ruimte aan vier varkens en één mens, en is geheel zelfvoorzienend.
Het was eenzaam en saai en fascinerend, die 24 uur zorgen voor de varkens. Ze deden me beseffen dat we nog steeds magisch denken: tussen die levendige scharrelende, snuivende, oorverdovend knorrende, ontzettend grappige beesten en alle producten die ervan worden gemaakt gaapt een groot gat: het verband gaat onze fantasie te boven.
Iets dergelijks geldt voor het contrast tussen deze romantisch huppelende wezens in een weiland op grens van Duitsland en Nederland en de realiteit van de bio-industrie. Onbegrijpelijk.
Mijn voorstellingsvermogen groeide door voor die beesten te zorgen: daar huppelen wezens die straks tot worst worden gedraaid. Ik vind het geen zielig idee, integendeel. Het maakt vlees eten begrijpelijker. Minder zondig. Vreemd genoeg.