Posts tonen met het label gemompel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gemompel. Alle posts tonen

woensdag 8 september 2010

'Ik ben niet belangrijk'

Een stukje van Bas Heijne, op 4 september 2010 in NRC Handelsblad, over televisiejournalisten die 'de diepte' willen ingaan. En dat betekent dan: nóg persoonlijker, nóg subjectiever, nog minder analyse en context.

'Het duurde even voordat ik Ghislaine begreep, even dacht ik dat ze gewoon uit haar nek kletste, maar met de diepte in bedoelt ze dat je van iets abstracts – de wereldeconomie bijvoorbeeld – iets persoonlijks maakt. Het algemene wordt ondergeschikt gemaakt aan het particuliere, het streven naar objectiviteit vervangen door het onbeschaamd subjectieve. Streven naar neutraliteit is uit den boze: „Ik verwacht van mijn verslaggevers dat ze hun persoonlijke verwondering en zelfs boosheid duidelijk overbrengen aan de kijkers.”
 
Wat een treurigheid. Maar hoe verhoudt al die aandacht voor het persoonlijke met mijn bewondering voor de persoonlijk geschreven essays van Montaigne? Daar wil ik nog eens uitgebreider over schrijven.
Al bladerend in een oude klapper vond ik een essaytje terug, ook gepubliceerd in Verwijl.
Onderwerp is de zin: 'Ik ben niet belangrijk' van, nota bene, Balkenende. Montaigne vond zichzelf wel belangrijk. Hij volgt zijn eigen 'ik' in al zijn onvoorspelbaarheid en verbazingwekkende fladderigheid. Hij maakt het particuliere tot iets persoonlijks, wat op zijn minst intersubjectief is.  Montaigne onderzoekt de verhouding tussen zichzelf en de wereld. En dat is ook weer iets anders dan jezelf in de etalage zetten en je robuuste ego aanprijzen aan wie het maar horen wil.
Heel diep. 

vrijdag 27 augustus 2010

De jurkjes van Tomoko Mukaiyama

Wonderschoon, deze installatie van 12.000 witte zijden jurkjes. Een kathedraal van jurkjes, stuk voor stuk in patronen vastgeknoopt. Je sluipt op kousenvoeten door gangetjes van jurken en komt dan terecht in een koepel, eveneens van jurkjes. Je krijgt pijn in je nek, van pure bewondering.

De installatie is het werk van de Japanse musicus en kunstenares Tomoko Mukaiyama. Met behulp van Japanse architectuurstudenten zijn de gangen en koepels ontworpen. Drie weken lang hebben haar medewerkers de jurkjes aan de netten vastgeknoopt. Nog twee dagen te zien in het Groningse Kruithuis.

Scharrelen met Bentheimers

Lucifers, anti-rimpelcrème, lang houdbare melk, wijn, papier, marshmallows en natuurlijk ook spekjes, en karbonades en dropjes: we leven heel intiem met varkens. Ze zijn in de meest uiteenlopende producten verwerkt. Dat heeft Christien Meindertsma prachtig laten zien in haar project PIG 05049 1:1.

Ik had me al eens eerder verdiept in varkens, bij het schrijven van een boek over agroparken voor het InnovatieNetwerk van het Ministerie van Landbouw. Daar had ik de overtuiging aan overgehouden dat het anders moet met de varkenshouderij in Nederland.

Als mensen toch vlees blijven eten - en dat doen ze, elk jaar meer, in Nederland én vooral in opkomende economieën waarin steeds meer mensen eindelijk geld genoeg hebben om vlees te gaan eten - dan moet dat op een radicaal andere, milieuvriendelijker manier. Het alternatief, vegetarisch gaat eten, is nóg beter, maar dat vertikken de meeste mensen nu eenmaal.
Tijdens het schrijven van dat boek heb ik echter geen varken in het echt gezien. Dat was wel een omissie.

Dus toen de Peergroup vroeg om 24 uur te gaan zorgen voor vier bonte Bentheimers en daar vervolgens verslag van te doen, was ik enthousiast. Dat leven met die varkens, daar zag ik wel tegenop. Eigenlijk vind ik dieren maar stom. Ik ben er zelfs een beetje bang voor. Na die 24 uur een essaytje erover schrijven, dat leek me het leukst.

Dus reed ik naar Coevorden, waar op de grens tussen Nederland en Duitsland, twee zeecontainers op elkar in een weiland staan. De P.A.I.R (= portable artist in residence) biedt ruimte aan vier varkens en één mens, en is geheel zelfvoorzienend.

Het was eenzaam en saai en fascinerend, die 24 uur zorgen voor de varkens. Ze deden me beseffen dat we nog steeds magisch denken: tussen die levendige scharrelende, snuivende, oorverdovend knorrende, ontzettend grappige beesten en alle producten die ervan worden gemaakt gaapt een groot gat: het verband gaat onze fantasie te boven.

Iets dergelijks geldt voor het contrast tussen deze romantisch huppelende wezens in een weiland op grens van Duitsland en Nederland en de realiteit van de bio-industrie. Onbegrijpelijk.
Mijn voorstellingsvermogen groeide door voor die beesten te zorgen: daar huppelen wezens die straks tot worst worden gedraaid. Ik vind het geen zielig idee, integendeel. Het maakt vlees eten begrijpelijker. Minder zondig. Vreemd genoeg.

maandag 21 juni 2010

Een vreemd verdrietig ding

'We hebben een vreemd verdrietig ding gemaakt', zei webontwerper Egbert Bleyenburg tijdens de dertiende Pecha Kucha, gehouden in een tot tweemaal toe afgebrande en inmiddels verlaten en vervallen fabriekshal.

De wind waaide er door de kapotte plafonds en het rook er naar rook. Van de eerdere branden en ook van de vuurtjes in de olievaten die her en der verspreid stonden. De laagstaande zon bescheen de eerste deelnemers aan de Pecha Kucha nog net.
De lateren stonden in de schemering. Daardoor kwamen de plaatjes van hun presentatie beter uit. (Een Pecha Kucha bestaat uit een praatje bij een presentatie van twintig plaatjes die in maximaal zes minuten en veertig seconden worden vertoond).

Het vreemde, verdrietige ding, dus. Een website die de papieren erelijst vervangt, waarop alle gevallenen van de Tweede Wereldoorlog staan, en die nog steeds wordt aangevuld. De papieren versie ligt bij de ingang van de Tweede Kamer in het Binnenhof. Elke dag slaat een medewerker een bladzijde om, zodat nieuwe namen van gestorvenen zichtbaar zijn. Maar de erelijst is oud en aan het vergaan, waardoor aanvullingen niet meer mogelijk zijn.

De website is sober, in grijstinten. Je ziet langzaam talloze namen over het scherm rollen. Eén klik vertoont de details van de overledene. Waar geboren, waar gestorven, waarom in deze lijst opgenomen.

Mooi detail: elke bezoeker mag een virtueel bloemetje achterlaten bij een overledene. Dat gebeurt heel vaak.

donderdag 10 juni 2010

Voornaam

De concentratie is wat wankel vandaag. Heel afleidend is de onlangs geopende voornamenbank van het Meertensinstituut. Welke voornamen waren ooit populair en nu niet meer? (Eén antwoord luidt: Joran) Welke voornamen zijn pas vanaf eind jaren negentig zéér populair? Dat is zijn er vele, waaronder Sanne, Emma, Lisa.

De variatie is enorm. Ik probeer wat uit: mijn eigen voornaam komt niet in de statistieken voor omdat er te weinig gegevens van zijn, maar die van mijn geliefden en vrienden wel. Iedereen die maar in mijn hoofd opkomt, heb ik zojuist even opgezocht. Intrigerend.
Zo is er maar één Fred in 2009 geboren, dat waren in de jaren zestig veel meer. En waarom piekt 'Harry' in 1946, net als 'Alie'? Ik type nog meer namen en nog meer. Zoals de naam van wijlen mijn moeder, nu alweer negen jaar dood.
In haar geboortejaar 1939, werd er maar één geboren.
Brok.

vrijdag 4 juni 2010

Werken in de buitenlucht


Als ik schrijf, dan werk ik, ik kan het niet ontkennen, aan een zeer rommelig bureau vol papier, bekers en broodkruimels. Als ik trainingen of workshops geef, dan zit ik vaak in ruimtes met zeer uiteenlopende kwaliteiten: soms ijskoud, al dan niet door de airco, soms rokerig van het rookhok ernaast, soms keurig maar lawaaierig, en soms ook ronduit aangenaam, ook dat kan ik niet ontkennen. Maar waar ik ook werk, ik werk altijd binnen!

Onlangs hield ik mijn eerste buitenles, op vrijdagochtend in de zon, aan het meer. Architecten in opleiding schreven op een locatie waar ze een ontwerp voor moeten maken. Om meer gevoel te krijgen voor hun ontwerp, fantaseerden ze over mensen die er wonen: hun wensen, hun verlangens, hun gewoonten. Ook schreven ze een protest tégen hun ontwerp, van een fictieve actiegroep, en een pleidooi vóór, van henzelf.

Het was een levendige ochtend, met koffie, zon en veel enthousiasme. Moet ik vaker doen, werken in de buitenlucht.

vrijdag 7 mei 2010

Ben ik gemiddeld?

Leuk pauzenummer van het Centraal Bureau voor de Statistiek: een webapplicatie waarbij je kunt testen hoe afwijkend je bent van de gemiddelde Nederlandse vrouw of man: roken, museumbezoek, sporten, gemiddelde uitgaven aan schoenen, inkomen. Vooral dat laatste vond ik even interessant als choquerend.
Een lijstje met gemiddelde bruto jaarinkomens:

leeftijd man ----- vrouw
25-30: 34.946 ---- 27.872
30-35: 45.685 ---- 30.523
35-40: 53.983 ---- 29.094
40-45: 57.079 ---- 28.538
45-50: 59.154 ---- 28.459
50-55: 59.133 ---- 29.668
55-60: 57.464 ---- 26.438

Mijn mannelijke leeftijdgenoten verdienen meer dan twee keer zoveel als mijn vrouwelijke leeftijdgenoten. Slik!
Pas tussen de 60 en 65 gaan mannen aanmerkelijk minder verdienen: gemiddeld 43.092 euro. Maar vrouwen verdienen in die leeftijdscategorie daar nog steeds de helft van: 21.046. Intrigerend.

vrijdag 29 januari 2010

'Een goed verhaal'

Altijd riskant, om je presentatie een goed verhaal te noemen - en ook weer niet. Want mijn presentatie gisteren ging óver een goed verhaal - en gelukkig waren de reacties erop goed.

De presentatie was voor potentiële opdrachtgevers uit gezondheidszorg, overheden en andere geïnteresseerden.

Startpunt: ik wil graag een training geven die gaat over het presenteren van beleid. Waarom? Omdat ik denk dat er iets onrustbarends aan de hand is: het vertrouwen in de overheid, in wetenschappers en andere deskundigen staat enorm onder druk. Ook beleidsmakers en adviseurs ontmoeten scepsis en wantrouwen. Standaardmethoden voldoen niet meer. We moeten op zoek naar nieuwe manieren om te vertellen wat er toe doet.

Maar waar moet een goed verhaal eigenlijk aan voldoen?
Moet de verteller authentiek zijn? Ja. Maar: authenticiteit alleen is onvoldoende. Denk maar aan premier Balkenende die zeer authentiek reageerde op het rapport van de commissie Davids.

Moet de verteller de waarheid spreken? Natuurlijk. Maar: feiten alleen zijn onvoldoende. Veel mensen geloven niet meer in feiten. Ze geloven, vreemd genoeg, wel in alles wat op internet staat.

Het monopolie op de feiten dat gezaghebbende figuren altijd hadden, is grotendeels weg. En hun gezag grotendeels ook. Vraag het maar aan artsen: hun patiënten komen zelf met informatie binnen, waarna er in de spreekkamer een onderhandeling plaatsvindt over de vraag: wat te doen? Deskundigheid is gedemocratiseerd.

Zijn deze ontwikkelingen betreurenswaardig? Nee, ze zíjn er gewoon. Mijn vraag is: hoe kun je, gegeven deze ontwikkelingen, je beleidsvoornemens beter voor het voetlicht brengen? Volgens mij zijn er in elk geval drie zaken nodig:

  • een goede legitimering en contextualisering: waarom dit beleid hier en nu?
  • een moreel appèl: welke waarden worden met dit beleid gediend?
  • een verhaal dat technisch gesproken goed in elkaar zit.
Dit alles komt aan bod in een training die denken, analyseren, luisteren, schrijven en doen met elkaar combineert:
  • denken over: wat wat maakt een verhaal tot een goed verhaal?
  • luisteren naar: een uiteenzetting over de veranderende functie en vorm van verhalen in onze samenleving;
  • analyseren: we kijken naar goede én slechte voorbeelden van presentaties;
  • formuleren: zoeken naar goede verhaalstructuren en aansprekende formuleringen;
  • presenteren: aandacht voor presentatievormen en -vaardigheden.

dinsdag 8 december 2009

De kloof tussen expert en burger


Aan de ene kant van het Hellegat wonen de deskundigen: experts die verslag doen van een steeds ingewikkelder wordende wetenschap. Een wereld waarin de deskundigen elkaar amper kunnen verstaan omdat ieder in zijn eigen super-super-specialisme zijn eigen taal heeft uitgevonden.

Aan de andere kant van het Hellegat wonen de burgers: verontwaardigd, miskend, ontevreden, teleurgesteld. Ze geloven de experts niet meer. Eigenlijk vinden ze dat ze zelf de grootste expert zijn: internet is toch binnen ieders bereik?

Zoals een Barendrechtse bewoner brieste minister Cramer, tijdens een verhitte discussie over CO2-opslag in zijn wijk: ''Internet liegt niet!"
En dus herhalen burgers met droge ogen de meest onzinnige verhalen die ook op internet staan, vol spanning en complotten.

Aan beide zijden van het Hellegat traint men het eigen gelijk. Experts denken nog steeds dat hun woord wet is. Dat je eenvoudig een oproep doet voor inentingen tegen Mexicaanse griep, of baarmoederhalskanker, waarna ieder zijn prikje gaat halen. Of je beweert gewoon dat de verspreiding van Q-koorts te onbekend is, waarmee je denkt dat alle zorgen van burgemeesters over hun zieke bewoners zijn verdwenen. Een wat oudere variant: ''Europa, best belangrijk": politici dachten ooit dat die slogan voldoende mensen zou overhalen om voor Europa te stemmen. Nee dus.

Ook burgers denken steeds dat ze het beter weten. Vandaag nog kreeg ik per mail het verzoek een petitie te ondertekenen om vrouwen jonger dan 50 te laten screenen op borstkanker. Het verzoek bevatte geen argumenten, geen cijfers, geen discussiepunten. Alleen maar een gelijkhebberige, dwingende oproep om mee te doen aan deze 'belangrijke' actie.

Een petitie is een eis van een lobbygroep, een dwangbevel. Noodzakelijk, als het gaat om welomschreven belangen of rechten. Maar juist deze ingewikkelde materie léént zich niet voor petities. Alsof meer screening alleen maar voordelen kent.
Acties als deze snoeren de deskundigen de mond: hoe zou je hierop kunnen reageren? De petitie heeft alleen maar één link: naar petitie.nl, met summiere informatie over de achtergronden en een vakje waarmee je je achter de petitie kunt scharen. Einde discussie.

Het lijkt wel alsof steeds meer mensen allergisch worden voor discussie. Ze beleven geen plezier aan het onderzoeken van elkaars argumenten. Dat merk ik vaak.

Onlangs nog, toen ik thee dronk met een groep zeer hoogopgeleide vrouwen. Op twee na was ieder ervan overtuigd dat de Mexicaanse griep is uitgevonden is door de farmaceutische industrie: de omzet moet immers omhoog.

De één zei: ''Mijn dochter studeert biologie, die zegt het ook."

De ander bleek verpleegkundige bij de GGD: ''Nog nooit heb ik zo'n moreel probleem gehad op mijn werk. Ik moet mensen gaan inenten, terwijl ik weet hoe slecht het voor ze is.''

Ze had een oplossing voor dit probleem gevonden. Ze wilde haar leidinggevende vragen een filmpje op internet te kijken, waar de echte waarheid wordt verteld over de Mexicaanse griep.

''Als hij dat heeft gezien, dan weet hij tenminste hoe veel het me kost om deze prikken te gaan geven."

De verpleegkundige had het er duidelijk moeite mee: ze klonk zeer oprecht. Oprecht klonk ook de constatering dat het zo mooi was dat alle leugenachtigheid in deze tijden toch maar mooi aan de oppervlakte komt. Eensgezind concludeerden de dames: de nieuwe tijd breekt bijna aan. Kijk maar: de banken vallen om, het complot van de farmaceuten wordt onthuld. Er is hoop op betere tijden!

Ik wist niet te reageren op al deze opmerkingen. Ze afdoen als dom en onzinnig is net zo onzinnig. Er een discussie over voeren levert alleen maar vijandigheid op, geen inzicht.

Misschien heeft Karel van het Reve gelijk. Die verklaarde het geloof in communisme door te verwijzen naar het verlangen van mensen naar irrationaliteiten. Juist omdat het onlogisch is, omdat het in strijd is met iedere redelijkheid, juist daarom geloven mensen erin. Dat vinden ze prettig.
Misschien is het ronduit menselijk om te geloven in de duivel, het complot, de nieuwe tijd, of het duizendjarig rijk. Lacan zou ook een dergelijke verklaring kunnen geven: iets wat ontsnapt aan ons dagelijkse, redelijke, communicatie wordt verheven tot het Grote Andere dat voor geen rede vatbaar is.

Een andere reden die Van het Reve gaf en die ik maar in eigen woorden weergeef: het is eenvoudiger om 'het kapitaal', 'de politiek' of 'de farmacie' de schuld te geven dan om je te verdiepen in voors en tegens van een maatschappelijke kwestie en er ook nog een mening over te formuleren. Dat zullen veel mensen saai en vervelend vinden. Als je één entiteit de schuld geeft, ben je veel sneller klaar!

maandag 16 november 2009

Kroketten


Tussen de borrel met vriendin die ik al heel lang niet meer had gezien en mijn filmafspraakje om 19.00 uur zaten precies 13 minuten.

Honger. Een frietje dan maar. Ik snelde naar de friettent op de markt, een zaak die vol bleek te zitten met jonge mannen. Ik bestelde een frietje zonder.
'Beh', mekkerde een jonge man naast me, bij wijze van kennismaking. Terwijl zijn mond opzichtig een kroket vermaalde, vroeg hij: ''Ben je vrijgezel?' Ik keek hem doordringend aan en zei niets. De jongen smeerde een tweede kroket demonstratief over de toonbank uit: ''Mijn opa zoekt namelijk verkering!"

Ha-ha-ha-ha-ha. Ha-ha-ha-ha-ha-ha! De jonge mannen voor de toonbank hadden lol. Ik keek naar hun geruite hemden, een enkele dikke buik, vette haren. Plattelandsjongeren met een kratje pils achter de kiezen, zo schatte ik in. Ze praatten een dialect dat ik amper verstond.

Achter de toonbank stonden ook jonge mannen die veel bruiner waren dan hun klanten. Pakistani, denk ik. Met vonkende ogen en strakke kaken keken zij zwijgend toe. Een van hen rommelde met de friteuse waar mijn frietjes lagen te bakken in het bruisend vet. Wat duren minuten soms lang.

De kerels gooiden halfvolle plastic bakjes en bekers op de grond. Een van hen wreef met zijn vinger vol mayonaise over de spiegelwand. Ondertussen interviewden ze me over de verblijfplaats van lekkere wijven in de stad, en of ik ze erg 'betastelijk' vond en nog meer van dat soort existentiële zaken.
Ik besloot te gaan babbelen, bij wijze van deëscalatie, ondertussen razendsnel zoekend naar neutrale onderwerpen. Misschien moest ik over kinderen of zo gaan praten, of over moeders of desnoods over voetballen.

Opeens hadden de kerels er kennelijk genoeg van. Misschien waren ze verzadigd. Alsof ze gehoorzaamden aan een geheim teken liepen ze allemaal tegelijkertijd de friettent uit.

Een van de mannen, de eigenaar misschien, barstte uit. Eerst in excuses aan mij, de enige mevrouw in de zaak. En toen in een litanie: ''Ik zei dat het genoeg was geweest. Dat ze weg moesten gaan."
Hij bleef zichzelf maar herhalen, waardoor er een nieuw verhaal ontstond. Daarin bombardeerde hij zichzelf tot de held die deze dreigende jongemannen een halt had toegeroepen en de eer van de zaak had gered. Ondertussen boende hij zijn toonbank schoon, terwijl zijn collega's de vloer en de spiegelwand onderhanden namen.

Ik was net op tijd voor Bright Star. Ik at mijn frietjes terwijl ik keek naar het kostuumdrama van Jane Campion, een film met prachtige beelden en zeer gevatte dialogen tussen de veel te jonge gestorven dichter John Keats en zijn geliefde Fanny, die hij vanwege geldgebrek niet kon trouwen.

De frietlucht bleef asociaal lang hangen, in de zaal en in mijn haar.

woensdag 30 september 2009

Godverloren zondagen

Het is alweer een paar weken geleden, maar de herinnering eraan is zo prettig: ik gaf op zondagochtend 6 september een lezing in Antwerpen, in het Zoekend Hert. Dat is een prachtig huis uit het begin van de twintigste eeuw, waarin eigenaar Eddy Strauven een filosofisch centrum is gestart. Mooie naam met mooie associaties: zoekend hert, zoekend hart, searching deer, oh my dear.

Als je het huis binnenkomt, valt je oog eerst op een groot glas-in-lood-raam, van, jawel een hert. Ik mocht er de allereerste lezing geven, in een ronde kamer, die deed denken aan de werkkamer van Montaigne.

Thema: Kun je als filosoof spreken over god (of spiritualiteit of hoe je het bovendagelijkse ook maar noemen mag)? Daar heb ik, met hinkstapsprongen door de geschiedenis, iets over proberen te zeggen.

donderdag 3 september 2009

Negen jaar

Man, in djellaba en met een vriendelijk baardje, brengt zijn zoontje Omar naar school.
In de gang hangt hij de jas van Omar aan de kapstok. Een meisje met donkere ogen en een lange paardenstaart begroet hem in het voorbijgaan. Hij draait zich om en vraagt: 'Ben je je hoofddoek vergeten?'

'Nee, ik ben hem niet vergeten', antwoordt ze. Ze loopt door. Met iedere pas wordt haar rug rechter en stijver. Trotser misschien ook.

Negen jaar en zo daadkrachtig. Zo autonoom.

donderdag 27 augustus 2009

Kloofje


Er kwam een man langs om in ons huis een klusje op te knappen. Hij stak zijn hoofd om de keukendeur en vroeg: 'Wat ruik ik?'

'Oh, niets bijzonders', antwoordde ik. 'We eten vanavond pizza. Ik ben alvast begonnen met het maken van tomatensaus, maar ik ben nog niet verder gekomen dan het bakken van een uitje, en een knoflookje. Is dat wat je ruikt?'

De man keek verbaasd. 'Knoflook? Echte knoflook? Ik doe wel eens knoflookpoeder over de nasi, maar echte knoflook heb ik nog nooit gezien.'

Ik gaf hem een bol knoflook. Wees op de afzonderlijke teentjes in de bol, gescheiden door velletjes. Demonstreerde het pellen van een teentje en de voordelen van een knoflookpers.

Weer wat geleerd. Over een kloofje tussen twee belevingswerelden, veroorzaakt door knoflook. Verbazingwekkend.

dinsdag 26 mei 2009

'Op twitter mag je schitteren'


Dat twitteren leek me wel wat: kort formuleren wat je aan het doen bent, NU! Het klinkt bijna zen, nietwaar? Dus meldde ik me aan - en probeerde ik aan de wereld te laten weten wat ik aan het doen was. Nu.

Dat valt niet mee, voor een multitasker als ik ben. Want wat doe ik eigenlijk - en erger nog, wat doe ik nu? Dromen over wandelen in de Dolemieten, bedenken wat we vanavond gaan eten, de contouren van een nieuw boek verzinnen, een nieuwe training plannen...en dat ook nog allemaal tegelijk.
Kiezen voor het een doet onrecht aan het ander, dacht ik in al mijn onnozelheid. Ik had helemaal niet door dat Twitter niet draait om nauwkeurig weergeven wat je doet, maar om je activiteiten, voor zover ze daglicht verdienen, aan anderen te tonen. Een voortdurende online promotie, dus!

Ik ben al snel weer afgehaakt. Ik voelde te veel schroom om anderen te gaan volgen in hun getwitter - en ik had nog meer schroom om mezelf te laten volgen. En bovendien geen tijd.

Zo heb ik mezelf de kans ontnomen om te profiteren van de sociale kant van Twitter. Want dat profijt bestaat natuurlijk wel: nergens anders zullen mensen je wijzen op interessante fenomenen die NU relevant voor je zijn. Voortdurende interactie met anderen levert veel input. Dat is absoluut waar - en misschien ook wel fijn.

De sociale kant van Twitter is een correctie op de vermeende anonimiteit van het internet. Zoals Fransico van Jole in de Volkskrant van 23 mei 2009 schreef: Twitter is veel meer dan de zoveelste uiting van de ik-cultuur. Het is het deel van het internet waar mensen over het algemeen aardig en vriendelijk tegen elkaar zijn, in tegenstelling tot veel hatelijke en negatieve weblogs en fora.

Van Jole: 'Op Twitter mag je schitteren, op de rest van het internet roept glans vooral agressie op.'

En inderdaad: twitter, maar ook andere nieuwe mediavormen creeren nieuwe verbintenissen tussen mensen, klanten, gebruikers. Lees bijvoorbeeld deze blog, getiteld eerste hulp bij plaatopnamen, dat helemaal draait om de vraag hoe muzikanten met internet en andere 'sociale media' hun bereik kunnen vergroten. Of lees over de manier waarop Pinkpop dit jaar met Twitter nieuwe leuke dingetjes voor het publiek heeft gemaakt, om de betrokkenheid van het publiek bij de optredens te bevorderen. Dat gaat vast lukken. Gaat vast veel slap geleuter opleveren.

Juist dat geleuter in het hier en nu kan me verschrikkelijk benauwen. Verstikkend vind ik ook het idee, om zó zichtbaar, volgbaar, binnenste buitengekeerd te leven. Twitter komt me soms voor als één groot nudistenstrand - ook al zo'n plek waar ik me nooit op mijn gemak heb gevoeld.

Wat ik mis, deerlijk mis, zijn juist de pogingen om nauwkeurig te formuleren wat je beweegt. Om moeite te doen iets te máken dat langer de moeite waard is dan een seconde faam op het internet. Dat laatste is natuurlijk een andere tak van sport - en het een hoeft het ander niet te verdringen, althans in theorie.

Toch vraag ik me af of een voortdurend kwetterende samenleving, waarin je jezelf toestaat om elk moment gestoord te worden, geen invloed heeft op de manier waarop je schrijft en werkt en leeft. Vergelijk het gekwetter eens met de adviezen die Rilke in 1923 gaf in zijn 'Brieven aan een jonge dichter'. (in vertaling, uitgeverij Balans, 1986)

De jonge dichter legt hem zijn gedichten voor, en vraagt Rilke of hij ze goed vindt. Rilke antwoordt dat het oordeel van een ander niets aan zijn schrijverschap kan toevoegen.

"Kunstwerken zijn van een oneindige eenzaamheid en met niets zo weinig nader te komen als met kritiek". (p.7). Hij adviseert de jonge dichter om meer aandacht aan zijn eigen binnenwereld te geven:

'U richt uw blik op de buitenwereld, en dat zou u vooral niet moeten doen. Niemand kan u raad geven en helpen, niemand. Er is maar één middel. Voel uzelf aan de tand. Onderzoek de reden die u dwingt te schrijven; ga na of die reden tot in het diepst van uw hart zijn wortels uitstrekt, beken uzelf of het uw dood zou zijn als u niet meer zou mogen schrijven. En vooral dit: vraag uzelf in het stilste van uw nacht af: moet ik schrijven? Wroet in uzelf naar een ernstig antwoord. En zo dit bevestigend luidt, (..), stem dan uw leven af op die noodzaak; uw leven, zelfs het onbeduidenste en geringste ogenblik ervan, moet in het teken staan van deze aandrift en ervan getuigen.' (p.8)

Niet alle twitteraars willen, gelukkig, dichter zijn - of schrijver. Maar ze gaan wel allemaal voorbij aan een andere observatie van Rilke:
'De dingen zijn niet allemaal zo gemakkelijk te begrijpen en te verwoorden als men ons meestal wil doen geloven; de meeste gebeurtenissen zijn niet te verwoorden, ze voltrekken zich in een ruimte die nog nooit door een woord is betreden. En het minst te verwoorden zijn de kunstwerken, geheimzinnige existenties, waarvan het leven voortbestaat naast het onze, dat eindig is.'

dinsdag 17 maart 2009

Een mes en een touwtje


Een mes,

een touwtje,

zijn sleutels,

en zijn portemonnee.

Meer had hij niet nodig om de belangrijkste obstakels in het leven het hoofd te bieden.

En hij redde zich goed, bijzonder goed.

Totdat hij werd opgenomen.

Nadat zijn broekzakken waren leeggehaald

vergat hij hoe hij stevig in de wereld kon staan.

Voorgoed.

woensdag 28 januari 2009

Overbelast

Het is vast niet gebruikelijk om een overheidsorgaan te willen zoenen. Toch heb ik daar wel zin in, nu de WRR een gloednieuw begrip heeft gelanceerd.

In het WRR-rapport n. 83, Vertrouwen in de school staan de jongeren centraal die zonder diploma de school verlaten. Het zijn er meer dan 50.000 per jaar. 'Voortijdig schoolverlaters' heten ze vaak, en nog vaker 'probleemjongeren'.

De WRR kiest een ander begrip: 'overbelaste jongeren'. 'Overbelast', dat klinkt sympathiek. Het legt een associatieveld bloot met termen als: aandacht, warmte, zorg.

En het is ook nog zo wáár. Veel jongeren zijn overbelast. Hoe moet je braaf je huiswerk maken als er veel herrie in huis is, je moeder in de war, je vader afwezig, weinig geld en al die andere zorgen die ik me niet eens kan vóórstellen.

Ik ben echt blij met deze nieuwe term. Eén woord kan een heel debat van een andere sfeer voorzien. Een woord kan leiden tot andere daden. Dat geeft hoop.

Jammer alleen van de haakjes in de ondertitel van het rapport: Over de uitval van 'overbelaste' jongeren. Waarom die haakjes? Zou er eindeloos over gediscussieerd zijn? Of is er toch nog enige twijfel over de juistheid van het begrip?

maandag 10 november 2008

Graffitti met beer


Graffiti is geen vandalisme. Makers van graffiti zijn geen criminelen. Het achterlaten van een tag is iets anders dan het markeringsplasje van een hond.
Graffiti is trouwens ook geen kunst, vind ik. Zelden word ik geraakt door wat ik aantref op viaducten, parkeergarages, muren, bankjes.
Nee. Volgens mij bedrijven graffitimakers een onhandige manier van architectuurkritiek. Ze voelen zich niet thuis bij de grijsheid van hun omgeving, vol onpersoonlijke kantoorgebouwen en saaie pleinen waar het altijd waait. Een omgeving die niet resoneert. Dat smeekt om een reactie.

Een Nederlandse Brit vertelde me dat Nederlanders 'graffiti' steevast verkeerd uitspreken. Ze leggen de klemtoon op de eerste lettergreep. Het klinkt dan als gravity, de engelse term voor zwaartekracht.
De oude Grieken kenden het begrip zwaartekracht niet. Aristoteles beweerde dat appels naar beneden vallen vanwege hun aardse natuur. Die laat hen terugverlangen naar hun oorsprong, de aarde.
Je willen verbinden met een plek, dát zie ik in graffiti terug. In graf-fí-ti, wel te verstaan.